Een interview met Cemil Yilmaz, afgenomen door Bahar Kara en Baran Palavan (Turks Psychiatrie Platform Nederland)
Artikel 13, 02-02-2026
Inleiding
De mentale gezondheid van mensen met een migratieachtergrond staat steeds nadrukkelijker op de agenda binnen de Nederlandse geestelijke gezondheidszorg. In het bijzonder de Turks-Nederlandse gemeenschap laat op verschillende gezondheidsindicatoren zorgwekkende cijfers zien, terwijl zij op andere domeinen juist sterk en veerkrachtig is. Hoe zijn deze tegenstrijdigheden te begrijpen? En wat betekenen ze voor de praktijk van de GGZ?
In dit artikel gaan we in gesprek met Cemil Yilmaz, sociaal en cross-cultureel psycholoog en toezichthouder in de gehandicapte zorg. Vanuit een historisch en sociaal-psychologisch perspectief reflecteert hij op generaties, identiteit, taboes en de noodzaak van cultuur- en religiesensitieve zorg.
Generaties en migratie: verschillende vertrekpunten
Volgens Yilmaz is het onmogelijk om de mentale gezondheid van de Turks-Nederlandse gemeenschap te begrijpen zonder oog te hebben voor generatieverschillen. De eerste generatie arbeidsmigranten kwam in een totaal andere tijdsgeest naar Nederland. Zij arriveerden in een periode van economische groei en wederopbouw, vaak met het idee dat hun verblijf tijdelijk zou zijn. Dat tijdelijke karakter werd echter blijvend.
Deze verschuiving had grote gevolgen voor identiteit en zingeving. Waar aanvankelijk weinig aandacht was voor het doorgeven van cultuur en religie, ontstond vanaf de jaren zeventig en tachtig juist een hernieuwde oriëntatie op tradities, onder andere zichtbaar in de oprichting van moskeeën, culturele verenigingen en dorpsnetwerken. Deze eerste generatie kan worden gezien als ‘ijsbrekers’: zij bouwden een bestaan op onder moeilijke omstandigheden, maar legden tegelijk een zware last op zichzelf door vooral te investeren in de toekomst van hun kinderen.
De zogenoemde 1,5- en tweede generatie groeide op met andere kansen, maar ook met specifieke spanningen. Veel kinderen namen op jonge leeftijd verantwoordelijkheden over van afwezige vaders, wat later bij gezinshereniging tot rolconflicten kon leiden. Tegelijkertijd droegen zij de onvervulde dromen en ambities van hun ouders met zich mee, wat resulteerde in een andere vorm van sociale druk.
Voor de derde en latere generaties geldt dat zij objectief gezien vaak beter presteren op onderwijs en arbeid, maar paradoxaal genoeg vaker te maken krijgen met discriminatie en uitsluiting. Yilmaz benoemt dit als de integratieparadox: hoe beter men participeert, hoe zichtbaarder men wordt voor structurele ongelijkheid.
Gezondheidsverschillen en cijfers
Yilmaz verwijst naar recente cijfers waaruit blijkt dat de Turks-Nederlandse gemeenschap hoog scoort op het gebruik van onder andere antidepressiva, antipsychotica en diabetesmedicatie. Ook ervaren zij hun eigen gezondheid relatief negatief. Opvallend is dat deze cijfers met name ongunstig zijn voor Turkse vrouwen.
Mogelijke verklaringen liggen volgens hem op meerdere niveaus: culturele opvattingen over ziekte en behandeling (bijvoorbeeld de voorkeur voor een ‘quick fix’), leefstijl, zware verantwoordelijkheden binnen gezin en gemeenschap, én structurele tekortkomingen in de zorg. Met name het gebrek aan cultureel en religieus sensitieve hulpverlening noemt hij problematisch.
Taboe, schaamte en geestelijke gezondheid
Een terugkerend thema in het gesprek is het taboe rondom psychische klachten. Binnen de Turks-Nederlandse gemeenschap spelen schaamte, loyaliteit aan het gezin en intergenerationele spanningen een grote rol. Bij de oudste generaties bestond psychisch lijden nauwelijks als concept; klachten werden genormaliseerd of gezien als iets om te verdragen.
Bij latere generaties is er meer openheid, vooral als het gaat om zorgen rondom kinderen, maar het taboe is niet verdwenen. Volgens Yilmaz wordt dit taboe versterkt doordat mensen zich binnen de reguliere zorg onvoldoende gezien en begrepen voelen. Negatieve ervaringen of verhalen daarover dragen bij aan wantrouwen en uitstel van hulp zoeken.
Wantrouwen en zorggebruik
Veel mensen vergelijken hun ervaringen met zorg in Turkije, waar de toegankelijkheid groter is en men zich serieuzer genomen voelt. In Nederland botst een terughoudende medische cultuur gericht op zelfmanagement en kostenbeheersing regelmatig met andere verwachtingen.
Dit wantrouwen geldt zowel voor de somatische als de geestelijke gezondheidszorg en kan ertoe leiden dat mensen pas laat hulp zoeken, of uitwijken naar zorg in het buitenland.
De rol van professionals, imams en gemeenschappen
Yilmaz pleit voor realistische verwachtingen van sleutelfiguren zoals imams. Zij kunnen een belangrijke signalerende en brugfunctie vervullen, maar mogen niet worden overvraagd. Samenwerking tussen GGZ-professionals, moskeebesturen en gemeenschapsorganisaties is volgens hem essentieel.
Daarnaast benadrukt hij het belang van scholing en diversiteit binnen zorgteams. Niet alleen meer ‘diverse gezichten’, maar ook daadwerkelijke benutting van ervaringskennis en culturele en religieuze expertise. Opleidingen zouden structureel aandacht moeten besteden aan diversiteit en veranderende patiëntpopulaties.
De rol van het Turks Psychiatrie Platform
Tot slot ziet Yilmaz een belangrijke systeemrol weggelegd voor initiatieven zoals het Turks Psychiatrie Platform Nederland. Naast individuele hulpverlening kan het platform bijdragen aan kennisuitwisseling met opleidingen, instellingen en internationale partners. Juist daar ligt volgens hem de sleutel tot duurzame impact en systeemverandering.
Conclusie
De mentale gezondheid van de Turks-Nederlandse gemeenschap kan niet los worden gezien van migratiegeschiedenis, generatieverschillen, sociale druk en structurele ongelijkheid. Tegelijkertijd laat het gesprek met Cemil Yilmaz zien dat er binnen de gemeenschap veel veerkracht, organisatiekracht en potentieel aanwezig is.
Voor de GGZ ligt hier een duidelijke opdracht: investeren in cultuur- en religiesensitieve zorg, structurele samenwerking en wederzijds leren. Alleen zo kan de kloof tussen gemeenschap en zorg verkleind worden.